woensdag, mei 18, 2016

Zedeloosheid en jenever - een drama van Muntendam berecht 1932



Een drama van Muntendam berecht.

36 getuigen van het O. M. en 11 dito van de verdediging.

Zedeloosheid en jenever.

Eisch vier jaar.


Winschoten, 7 Oct. 1932


Op den avond van Zondag 7 Februari van dit jaar, was er in Muntendam een familiefeestje geweest in het gezin van een zekeren Feiken. Onder meer behoorde ook de arbeider Ido Feiken van Meeden, zoo niet tot de genoodigden, dan toch in elk geval tot de aanwezigen. Het was tot zeer laat „gezellig" bijeen en geheel-onthouders waren het niet alle die aan den feestdisch zaten. Toen de pret uit was, moest Ido naar huis en nam de fiets. Maar Ido — een huisvader — is niet ter bestemder plaatse gearriveerd, zoodat men „ongerust" werd over diens uitblijven. Des anderen daags, Maandag 8 Februari, was Ido er nog niet en steeg de angst door de mogelijkheid van een „ongeluk". Later op den morgen werd men uit de sfeer van angst en vrees getrokken, doordat passeerende personen in het Muntendammerdiep een manspersoon zagen drijven, die opgehaald, niemand anders bleek te zijn dan de arme Ido. De fiets lag op den wal. De marechaussee bemoeide zich met den drenkeling en er zou geen aanleiding zijn geweest voor booze vermoedens, indien op het lichaam, althans het hoofd van Ido, geen teekenen van geweldpleging waren te onderkennen geweest. De marechaussee maakte proces-verbaal op, trok op onderzoek uit en arresteerde twee personen, verdacht debet te zijn aan den te vroegen dood van een der gasten. Uit dat onderzoek is aan het licht gekomen, dat men in de woning van verdachte voor vier gulden jenever en port had opgedronken, dat tot ver na middernacht heeft uitgehouden en mannen en vrouwen zich tenslotte geheel hebben vergeten en — verhit door de gloeiing van den alcohol — zedeloosheden hebben uitgehaald en den beest uitgehangen. Na eenigen tijd in Winschoten in voorarrest te zijn geweest, werd de broeder van den verongelukten arbeider weer losgelaten. Maar diens schoonzoon bleef vastgehouden, nu reeds 8 maanden lang. En heden moest deze, de nog maar 24-jarige Heino Scholtens, voor zijn rechters verschijnen om zich te verantwoorden in het publiek. De tenlastelegging van het O. M. sprak er van : „dat hij in den nacht van 7 op 8 Febr. 1932 met het opzet om Ido Feiken van het leven te berooven, opzettelijk en gewelddadig, dezen met een hard en zwaar voorwerp op of tegen het hoofd heeft geslagen, althans gewelddadig geslagen of gestooten en daarna in het water van het kanaal naar Veendam heeft geworpen, tengevolge waarvan voornoemde Ido Feiken is overleden; althans dat hij toen aldaar met opzet om Ido Feiken zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans te mishandelen, opzettelijk en gewelddadig dezen met 'n hard en zwaar voorwerp op of tegen het hoofd heeft geslagen, althans geworpen of gestooten, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel bekwam, althans levensgevaarlijk, in ieder geval bloedend werd verwond". Er was voor deze rechtsbehandeling groote belangstelling,, uit Muntendam voornamelijk, aan den dag getreden. De helft van de opgekomenen werd slechts binnengelaten. De andere helft verliet nochtans de omgeving van het gerechtsgebouw niet, doch bleef tot klokke zeven in de buurt of bij de ramen hangen. De Rechtbank wordt gevormd door de heeren Mr. Maitland, president, Mr. Wedeven en Mr. Godding, rechters. Het O. M. wordt waargenomen door Mr. Kneepkens. Verdediger van verdachte is Mr. E. J. Bulderte te Veendam.

De zaal is volgepropt met een 47-tal getuigen en een groot publiek. Verdachte, bezembinder van beroep, is een gewone arbeidersjongen. Hij kijkt frank en vrij de zaal in en verraadt geenszins dat hij onder den indruk is van het geval.

De PRESIDENT vraagt hem of hij weet, waarvan hij verdacht wordt en de jongeman antwoordt dat hij dat wel heeft gehoord. De heele sliert getuigen wordt afgeroepen en moet dan heengaan. Alleen opper-wachtmeester HUIJING moet voorkomen.

Deze vertelt wat er gebeurd is. Toen hij er bij kwam, lagen lijk en fiets reeds op den wal. Hij zag dat het slachtoffer wonden had aan het hoofd en waarschuwde den dokter. Bij de inspectie ten huize van hem, waar men „gefeest" had, zag deze een drankflesch op de tafel staan. Verder waren er duidelijke sporen aanwezig, dat er gevochten was. Allerlei lag kapot op de tafel, den vloer en op een bed. De fiets van het slachtoffer was gehavend ; een der banden was leeg. In de woning vond getuige een boorden-knoopje. De pet is niet weer boven water gekomen. Er was een bijl in huis. Maar verdacht was, dat het ding kort te voren moest zijn gewasschen en afgedroogd. Nu lag ze in turfmolm. Maar vermoedelijk was er iets mee aan de hand geweest. In een waschmand lag een gedragen Engelsch hemd, waarin een versche bloedvlek. Een das was heelemaal besmeurd niet versch bloed. En een beeld lag 1 gebroken op de bedstede. Vanaf het huis, waar . men samen was ge weest, tot het Muntendammerdiep, werd een versch fietsspoor ontdekt dat van een geladen rijwiel afkomstig moet zijn geweest. Het liep door greppels en over het korfbalveld. Van een fiets aan de hand kon het niet zijn. Het fietsspoor leidde over een hoop grint, waarin niet was te rijden. Spr. heeft met een der marechaussees proeven gedaan. Het rijwiel dat er doorgehaald moet zijn, is op dat oogenblik stellig bestuurd geweest door iemand anders dan degene die er op zat of lag. Een enkelen keer maakte verdachte wel eens misbruik van sterken drank, wat eens tot arrestatie en hevig verzet leidde. Maar overigens heeft de politie weinig last van hem. Verdachte zegt dat de kwajongens veel door het veld rijden en de fietssporen kunnen hebben gemaakt.

Mr. BULDER vraagt Of getuige in de buurt waar het slachtoffer is gevonden, het bord „Levensgevaarlijk" van het electr. bedrijf heeft gezien. Zou Feiken door daarop gevallen, niet verwond kunnen zijn ?

De „opper" antwoordt dat genoemd bord vrijwel ingebouwd is in den wal. Het blijkt verder dat verdachte en diens vrouw ongelijke verklaringen hebben afgelegd over de vraag, hoe er bloed aan „het dassie" (dat een sjaaltje blijkt te zijn) was gekomen. Verdachte doet bij dit deel van het verhoor ietwat zenuwachtig. Dr. Ch. W. G. MIEREMET, heeft de sectie verricht. Op de brugleuningen etc. waren geen bloedsporen te vinden. Het slachtoffer heeft een schedelbreuk opgeloopen en er waren verschillende sporen van geweld. De doodsoorzaak was verdrinking. De wond was overigens reeds levensgevaarlflk, maar spr durft niet te zeggen dat deze wond beslist duidelijk moet zijn geweest.

De bloedvlekken op das etc. waren versch. Kleedingstukken, welke eenigen tijd zijn blootgesteld geweest aan licht en lucht, vertoonen oude bloedvlekken anders.

Mr. BULDER vraagt den deskundige, of hij het absoluut uitgesloten acht, dat het slachtoffer door het bord van de Electrische Maatschappij kan zijn getroffen. Deskundige antwoordt, dat aan dat bord niets bijzonders is gezien. Maar in elk geval is de fractuur met kracht veroorzaakt. De wonde wijst niet in die richting.

Wachtmeester Iz. POUTSMA verklaart als de opper en de marechaussee HOMMES vertelt, dat verdachte uit een café kwam, toen hij werd aangehouden. Berend Kip was niet, maar verdachte erg zenuwachtig. Hij vroeg niet eens waarvoor hij werd gearresteerd. Kip daarentegen vroeg dat wel. Er is eenig gehommel over de vraag of het juist is, dat verdachte, toen hij werd aangehouden, schoenen bij zich had. Mr. Bulder deelt mee dat verdachte geen werkschoenen heeft en op klompen naar Jipsinghuizen ging. Verdachte zegt, voorwaardelijk te zijn veroordeeld. Hij meende niet in de kroeg te mogen komen. Zoodoende verbaasde het hem niet, dat hij werd aangehouden. Hij heeft een heel verhaal en praat steeds over 'n flesch „janever". De President merkt hem echter op, dat Kip ook voorwaardelijk veroordeeld was en zich wel verbaasde. In ontroering vertelt verdachte, dat hij heelemaal niet wist, waar Ido „stoven of vlogen" was. De opperwachtmeester wilde van hem iets weten, maar hij wist niets. De opper sprak over de bijl, maar verdachte zeide, dat hij niets wist van de bijl. Berend Kip had wel, hij echter geen werkschoenen. Den heer Dr. Mieremet wordt het bijltje getoond en gevraagd of de wonden daarmee kunnen zijn toegebracht. Dr. M. zegt, dat dit wel kan zijn. BEREND KIP is 30 jaar en was met zijn J vrouw op 7 Februari 1932 bij Scholtens thuis. Er waren meer menschen, er werd drank gehaald, maar het ging er „gewoon" toe.

Ido — het slachtoffer — kreeg een goed borreltje en kwam op den vloer terecht, waar hij ging braken. Getuige hoorde, dat er ruzie kwam, tusschen een man of vier vijf.

PRES.: Wie vochten ?

KIP : Dat weet ik niet zoo precies meer,

PRES.: Vroeger wist je meer dan nu. Ik waarschuw je te zeggen wat je weet, anders kan het voor jou ook wel raar afloopen. — Wie waren aan het ruziemaken, wat je in je eigen woning kon hooren ?

KIP : Verschillenden.

PRES.: Dat weet ik nu wel. Maar wie ? KIP : Heino Scholtens, Feiken en vrouw en zoo meer.

PRES.: Vloekte Heino niet zoo erg als je van hem nog nooit gehoord had ?

KIP : Ja. Maar wat men gezegd heeft, kon ik niet precies verstaan. En ik wilde niet van t bed af.

PRES.: Toen de marechaussee jullie aanhield voor doodslag, schrok je toen niet ? En wat zei je toen ? KIP : Ja, ik schrok. Ik zei: ik weet van geen doodslag. Heino (verd.) zei niets. PRES.: Toen Heino weg moest, zei hij toen, niet tot zijn vrouw, „dat hij nooit weer terug zou komen'

KIP : Ja, maar wat hij daarmee bedoelde weet ik niet.

PRES.: Dat gaat je ook niet aan; daar zijn wij voor.

Mr. KNEEPKENS : Men moet alles uit jou halen. Ik waarschuw je ook nog eens. Als je niet verklaart, alles wat je weet, dan zal ik mijn maatregelen nemen !

PRES.: Voor den rechter-commissaris heb je gezegd, dat Heino een kleur kreeg, toen de wachtmeester zeide, dat hij voor doodslag werd aangehouden.

KIP : Och, hai kleurt nog al gauw ! Bij het verder verhoor blijkt, dat Berend Kip zich in de ruimte wil houden. Hij weet weinig, heeft later wel gehoord, dat Ido had gebraakt, maar niets gezien. Hij heeft wel gehoord, dat er met dingen was gegooid en dat er stukken vlogen en des anderen daags zag hij, dat alles „nog net zoo" lag.

De President vraagt hem, wat dat „nog net zoo" beteekent. Hij antwoordt, dat hij gehoord heeft, dat er scherven vlogen en die rommel lag er „nog net zoo". Als 't verhoor afgeloopen is, wil Berend graag naar huis, omdat hij in een groote groentezaak werkt.

De Pres. zegt, dat ie nog even moet blijven.

MARIA KIP—KLEIN is 't jonge vrouwtje van Berend. Ze heeft het „feest" bijgewoond en erkent dat. 't Was er gezellig en er kwam „drank op de tafel", van welke zij en heur man niet gebruikten. Ido was dronken, braakte en kreeg van het echtpaar Scholtens een „zak over het hoofd". Daarna zijn zij en Berend naar huis gegaan, 's Nachts om half vier hoorde zij op bed herrie „schellen en aangaan",. Ze hoorde Heino en diens vrouw ; ook hoorde .ze de stem men van Aaltje, de moeder van verdachte, en van Stientje. 'n Half uur later hoorde ze vloeken en aangaan. Geen enkele keer heeft ze de stem van Ido gehoord. Des anderen daags versliep men zich en ging Berend niet naar Jipsinghuizen. Ze hoorde dat Stientje zeide : „Deugenait, doe moust mie nooit weer binnen deure komen". Dat gold verdachte Heino -en deze riep dat hij nooit weer terugkwam. Thuis bij Heino was alles kort en klein geslagen. Heino zelf was vroolijk en zong

De PRES. zegt dat er schunnigheden bij Scholtens zijn gedaan,

GETUIGE weet er niets van. Ze heeft dat niet gehoord.

De PRES. wijst haar terecht. Je hebt met jou man op bed liggen luisteren.

GETUIGE zegt dat Heino eerder dan zij, uit huis gegaan is. Ze heeft niet vernomen dat Heino terug kwam. Maar de stem van Ido (het slachtoffer) heeft men niet meer gehoord.

Mr. BULDER vraagt getuige of ze niet gehoord heeft dat Heino den volgenden dag zeide tot zijn kleinen jongen : „Ik wil die nait weer noar dat zoodje (bedoeld werd het gezin van zijn schoonmoeder) tou hebben.

GETUIGE erkent dat ANNA SCHOLTENS— AKKERMAN heeft gehoord dat Heino tegen zijn vrouw klaagde : „Ik ga morgen Muntendam verlaten en koom er nooit weer. Ga jij mor noar dien aigen huus !" Zij heeft ook gehoord dat Stientje (verdachte's schoonmoeder) tot Heino zeide : „Ik wil die nooit weer over de drumpel hebben.

JOCHEM SCHOLTENS is Annie's echtvriend. Hij werd des nachts door zijn vrouw wakker gemaakt en hoorde Heino roepen : Ga jij maar naar je moeder toe ; ik ga naar de mijne !

ELIZABETH KIP—WOLDHUIS woont naast de moeder van Heino. Zij heeft gehoord dat Heino vreeselijk vloekte en citeert met groote vakkundigheid een „dikke" vloek, gehoord uit Heino's mond. HEINO ontkent dit met heftigheid. Hij doet niemand kwaad en zai „logt". As men 'n mensch niks dut, din roup je toch nait ?

PRESIDENT : Getuige zegt dat je het wel gezegd hebt. Dan ligt het in de rede dat je 't wel gedaan hebt. VERDACHTE wordt heftig en zegt: „dat hij bij zich thuus uut kwoadhaid de toafel omwupt het, woardeur de rommel d'r of vloog."

Mr. BULDER zegt dat die woningen niet hoorig zijn en dat met heel veel moeite van deze getuige een verklaring is losgekomen. Spr. gelooft niet dat getuige dit heeft kunnen hooren.

De PRES. zegt dat de verdediger niet de waarheid van het getuigenis in twijfel mag trekken zonder bewijs.

Mr. BULDER meent dat de verdediger dat recht wel heeft.

ELIZABETH is kwart na drie uur in den nacht van bed gegaan en zag door het raam een man in een licht boezeroen en een vrouw loopen. Een van de twee liep op klompen.

HENDRIKJE KIP heeft ook het lawaai gehoord in dien gedenkwaardigen nacht en vertelt van de groote vloekwoorden. De moeder van Heino riep : „wat zetst doe mie een kroune op de kop, dei mie d'r nooit weer of komt."

De PRESIDENT zegt tot verdachte dat dit de tweede getuige is die zijn vloeken heeft gehoord, waarop VERDACHTE laconiek antwoordt : „as zai leuft worren, din mout ik Ja mor in de gevangenis". FRANCISCUS ROUKES is gehuwd met Berendje Scholtens en een zwager van verdachte. Hij was ook bij de pret en had toen verkeering met Berendje. Hij verklaart dat er jenever en wijn werd gedronken uit „koppies". Ido (de verslagene) was het meest dronken. Om 12 uur ging hij de deur uit. Maar toen was de boel nog niet kort en klein.

Om een uur wordt gepauzeerd. Na de pauze wordt allereerst JAN FEIKEN gehoord. Hij is een broer van den verslagene. Ze zijn om 11 uur weggegaan en die „ze" zijn z'n vrouw, hij en vrouw Scholten. Toen kon men niet zien dat Ido boven zijn thee was. Hij had wel een borrel op, doch dronken was deze toen nog niet. Om 1 uur kwam zijn dochter; Aaltje bij d'r ouders thuis ; ze wilde niet langer; bij een dronken kerel thuis zijn, want haar man, Heino, was ook reeds aan den wandel Ido lag te bed en Heino riep om half vier : „nou hest wat, de boudel is stokkend en Ido ligt dronken op ons berre". Heino is toen met Aaltje weggegaan. Later hoorde hij dat Ido was weggegaan. Getuige ging er uit, daar zijn doch» ter en zijn schoonzoon „aan 't raggen wassen' Hij is toen naar de feestzaal gegaan, vond bij Heino een groote rommel, maar het bed waa leeg. Niemand was er thuis, waarom getuige rechtsomkeerd maakte en weer naar huis ging.) Om half zes kwam zijn dochter weer bij d'I! ouders en zeide dat „Heino weer was weggegaan". Om half acht werd ze door vrouw Kip geroepen om den boel klaar te maken, daar; Heino naar Jipsinghuizen wilde. Een half uur, later hoorde hij dat zijn broer niet thuis gekomen was. Men was „hailemoal uut stuur"«i Getuige wilde naar diens gezin, maar bij da brug zag hij Ido in het kanaal drijven, tusschen het ijs. Het hoofdhaar stak er boven uit. CHRISTIENTJE OP DEN DIJK is getrouwd met Jan Feiken en vertelt als haar man. Er werd 7 maatjes en 5 maatjes jenever en een flesch port gehaald. Dik elf uur ging men naar! huis. Ido was lollig en wilde niet mee. Ido zong een beetje. Ido was aan 't aankleeden en getuige heeft hem vier knoopjes van zijn vest vastgemaakt. Getuige heeft hem buiten geleid met de hand op haar schouder, omdat het, donker was. Hij haalde de fiets weg, ging op de fiets zitten en reed weg. Hij zei : om twaalf uur bin ik d'r weer. „Getuige voegt er bij, Ik laig nooit; ik zeg de woarhaid". En ze zei tot Heino : „moak toch datst op berre komst! Mor Heino schold en ragde van hongerlieder. Op zeer dramatische wijze vertelt Christiene, door de andere getuigen Sientje genoemd, wat er verder aan 't licht kwam en speciaal het bekend worden van het verdrinken van Ido Feiken.

ALBERT KLUNDER heeft meegeholpen aan het op den wal halen van het lijk van Ido.

Jan Feiken zei: daar ligt mijn broer in het water. Getuige naaide politie.

LUCAS JAGER trok met een schippershaak bet lijk naar den wal. Hij zag dat het lijk een wond aan het hoofd had. De schippershaak heeft de wond niet veroorzaakt.

SJOERD SEIP zag Jan Feiken op de brug ' staan. Even later stond een tweetal mannen op de brug, die van Jan Feiken hoorden dat zijn broer in het water lag. Het lijk stond in de vaart, met het gezicht gekeerd naar Muntendam. Toen het geacht boven was, zag getuige dat het Ido was. Aanvankelijk niet. Bij het redden is het lijk niet geschonden.

GEERTJE DUIT hoorde te bed lawaai en vloeken. Een buurvrouw hoorde dat Heino riep tegen een ander : „G,.-v...d... dat wil ik nait" Z'n schoonmoeder heeft ze nóch gezien, noch gehoord.

J. G. WOORTMEIJER is bakker van beroep en woont ook te Muntendam. Om half twee des nachts hoorde hij lawaai en om half vier hoorde hij weer lawaai. Hij ging er af en zag Scholtens en zijn vrouw, tegen wien zijn hond blafte, wat hij anders niet deed.

J. J. DE VRIES, bakkersbediende, zag twee mannen en een vrouw loopen. Maar later hoorde hij gevloek en getier. Een man stond buiten te razen. Een vrouw jammerde.

REBEKKA ROTGERS was deelgenoot van de pret. Maar dat Ido vroolijk en dronken was, weet ze niet. Om half 12 ging ze weg en Ido was toen nog goed. Ze is met Jan Feiken en Stientje weggegaan. Bij het verdere verhoor blijkt, dat Rebekka niet veel weet.

Mr. MAITLAND zegt dat ze voorzichtig moet zijn, al is het te begrijpen, dat ze liever geen Woord wil hebben, dat ze de pret heeft meegemaakt. Want daar zijn rare dingen gebeurd.

WESSEL TIELMAN hoorde ook van Jan Feiken dat zijn broer in het water lag. Hij heeft ' niét meegedaan, doch alles wel gezien. Het lijk werd voorzichtig bij de kleeren naar den wal getrokken. De fiets heeft hij niet gezien.

GEESSIEN SNIJDERS, vrouw ten Doornkaat, weet van niets. Ze schijnt bij vergissing ' opgeroepen.

TAMMECHIEN BIJLHOLT hoorde in het café Bieze te Winschoten vertellen dat Ido Feiken was vervoerd met „een zak over de kop ' op de fiets". Ze was met Geessien Snijders naar Winschoten geweest. Het verhoor levert niemendal op.

KI. LOOIJENGA woont bij de brug te Muntendam en heeft de brugleuning met wacht meester Poutsma geïnspecteerd, of er iets aan te zien was, in verband met het drama. Maar niets was er te zien.

NANTKO BAKKER, brugwachter, verklaart dat er op Maandag 8 Februari 1932, voor hèt lijk van Ido uit de vaart werd opgehaald, geen schip doorgegaan is. Het eerste vaartuig was een boot van Stadskanaal en die moest wachten doordat men met de berging van het slachtoffer nog niet geheel gereed was.

W. R. STIKKER is fietsreparateur en kreeg Ido's fiets in handen. De voorvelg was verbogen en er mankeerde meer aan, dan hij destijds opgaf. Maar hij herinnert zich er nu niet veel meer van, ook niet, als Mr. Bulder tracht zijn geheugen wat op te kikkeren.

JAN BOUWMEESTER werd kwart voor vier des Maandagsmorgens wakker, doordat vrouw Feiken riep: „Ik wil die nooit weer binnen deure hebben ; ik huif van die nait te vreten" . Die vermaning was voor schoonzoon, Heino Scholtens bestemd. D'r gilde ook iemand, maar of het een vrouw of een man was, weet hij niet. Bij de herrie ging het om de disputen tusschen twee mannen en één vrouw. Mr. MAITLAND en Mr. BULDER ondervragen Jan of het nu inderdaad twee mannen en een vrouw zijn geweest.

Welke man — vraagt Mr. BULDER — huilde ? — D'r kwam een korte gil -— antwoordde getuige en toen ben ik naar buiten gegaan. Toen Werd het stil: alleen de mannen praten tegen elkaar ; maar Wat ze zeiden, verstond spreker niet. REINJE KAPINGA is dien nacht ook wakker geworden door gevloek en getier. Ze vernam dat iemand naar het korfbalveld liep, tot eenige malen toe. Maar Reinje, die niet al te vlug ter been is, bleef op haar bed liggen.

AALDRIK BIJLHOLT stond in den nacht een kleintje te doen en hoorde iemand zeggen : „Geef mij die jas". Meer weet hij niet. ANNECHIEN BLOEM hoorde dat vrouw Feiken tot Heino zeide : „Ik wil die nait weer thuus hebben ; ik huif van die nait te vreeten."

De PRES. vraagt haar verder wie de gil Blaakte : een man of een vrouw. Getuige weet het niet positief. Er was zoo vaak ruzie dat ze zich er niet mee wilde bemoeien. Ze neemt aan dat een man gegild heeft. Verder betracht Annechien de deugd der bescheidenheid en houdt d'r mondje.

PIETERTJE SCHOESTER, gehuwd met H. Schipper, woont bij de brug en werd om half 4 wakker. Daar ze om 5 uur op moet, bleef ze wakker. In dien tijd heeft ze niet gehoord dat ier iemand in het water is gereden. Dat zou een plons hebben gegeven en Pietertje had het moeten hooren. HEINE SCHIPPER vertelt hetzelfde, n.l. dat bij zooiets had moeten hooren zoodat er vermoedelijk geen ongeluk bij de brug is gebeurd dien nacht. '

Mr. MAITLAND voegt er aan toe : als er dan ïets gebeurd is dien nacht, dan moet het heel stiekum geweest zijn. Schipper bevestigt dit. R. TEN DOORNKAAT is koopman en zag dat Jan Feiken bij de brug stond te kijken en dat deze ontdekte dat zijn broer in het water lag, vlak bij de brug. Getuige heeft meegeholpen dat Ido's lijk werd opgehaald. Aan het hoofd zat een groote wond, welke niet door de berging is kunnen worden veroorzaakt.

SEBO SUK js de laatste der 34 getuigen door bet O.M. gedagvaard. Na hem moeten nog 11 getuigen van de verdediging komen. Sebo vertelt, dat hij ook een lijk rechtop in het water zag staan. Toen het lijk op den wal lag, zag getuige de wonde. Aan het lijstje van 34 wordt echter nog no. 35 toegevoegd in den persoon van SIENTJE STIKKER, vrouw van Harm Jonker. Ze hoorde dat er herrie was dien nacht en dat iemand riep: Doe mie de jas moar ; ze doun die toch niks."

Opper Huijing geeft uitleg van de situatie en waar het laantje ligt, waaraan de woning van Stientje ligt. Het blijkt dat haar echtvriend, Harm Jonker, is doorgeslapen ..... De getuigen h décharge komen in deze volgorde voor.

JURJEN FEIKEN. Hij is 17 jaar en een zwager van Heino Scholtens. Ido Feiken, zijn oom was op bezoek bij zijn zwager, maar getuige ging op tijd weg. Toen was alleen nog maar koffie gedronken. Z'n broer ging ook mee naar huis. Des nacht? om half 4 riep moeder bem, of hij niet mee wilde oom Ido weg te brengen. Z'n vader zeide: loat hom mor liggen; hij mout 's morgens vroug op." Hij is er afgegaan, zag dat oom om het hoekje wegreed en nog „goeie" riep.

EPPO FEIKEN vertelt dat hij niet bij het feest" is geweest. Des nachts werd Jurtrien door moeder gemobiliseerd, doch vader gelastte (zie boven) de demobilisatie. Ook hij heeft „goeie" gehoord. AALTJE FEIKEN is een 15-jarige zus van Jurjen en Eppo. Ze wordt niet beëedigd. Ze is ,,even" bij het feest geweest en men dronk een borreltje. Oom Ido was 'n beetje lollig. Zij is tijdig op bed gekomen doch later kwam haar gehuwde zuster Aaltje bij haar op bed. Later kwam haar man en vroeg zijn vrouw om mee te gaan. Men ging toen samen naar het huis van Heino en Aaltje, waar moeder oom Ido hielp bij het aankleeden, waarna deze de fiets ophaalde en wegreed. Aaltje fluistert nog wat op den koop toe, wat de reis naar de perstafel niet kon halen.

BERENDJE SCHOLTENS, gehuwd met F. Roukes, was ook op het feest. Ze kreeg ook eep beetje uit het kopje. Ido braakte en men kreeg ruzie. Zij is om één uur weggegaan. Ze hoorde ook van de ruzie van het echtpaar dat verdachte tot hoofd heeft. Op vragen van Mr. BULDER vertelt ze nog wat, dat wegzakt in de zaal.

BERENDJE FENNEMA is de moeder van verdachte. Ze wil de waarheid zeggen. Om 10 uur ging ze naar bed. Om half 12 ging de deur open en kwam iemand binnen die het zolderluik liet dalen. Later kwam Heino voor het bed. Hij zeide : sloap ie of bin ie wakker !" Getuige vroeg : „wat scheelt er aan ?" Heino zei: „Niks!" Maar hij vertelde dat hij woorden met zijn vrouw had gekregen over de caprioles van oom Ido. Daarna was Heino de deur uitgeloopen. Later kwamen ze samen bij haar. Om 5 uur was Heino er weer en om 7 uur weer. Hij wilde de schoppen halen. Van lawaai hoorde deze weduwe niets en van de andere gezinsleden werd geen ,,mouders-mensk" wakker. Heino mopperde met Aaltje, moar ik zei: „Ie mouten votgoan ; ik wil gain drokte hebben,"

De PRESIDENT zegt dat getuige de moeder is van verdachte. Maar ze bood aan de waarheid te zeggen en nu moet' ze het doen ook. Er zijn getuigen die uit haar mond, duidelijk hebben gehoord dat ze tegen haar zoon gezegd heeft: „dat hij haar een kroon op het hoofd zette."

GETUIGE roept dat ze dat liegen. Getuige beklaagt zich dat de Kip-pen haar tot last zijn.

GEERT SCHOLTENS is een halfbroer van verdachte. Hij heeft niets gehoord dien nacht van het lawaai. Moeder heeft hem alles verteld. Maar hij hoorde niemendal.

ANTJE SCHOLTENS is een zusje van verdachte en 17 jaar oud. Haar getuigenis is gelijk aan die van hen die geen herrie hebben vernomen.



HILL. MEIJER, echtgenoote van Grieto Keizer, hoort zich de vraag voorleggen of het gehoorig is. Hillechien zegt dat ze 11 menschen zijn. En naast haar woont Doddema, die ook 'n groot gezin .heeft van 11 graatere menschen die nog meer koakelen dan klainen. Bij haar is het — naar ze zegt — „al een Jeudenschoule." (Gelach. )

LAMMECHIEN JAGER is de vrouw van Pieter Doddema, de moeder van het groote gezin. Het zweren is haar een zwaardere opdracht dan het groot brengen van 11 kinderen. Als ze den eed moet doen, verongelukt ze er mee. De PRESIDENT helpt haar op de glee en de ?aak komt op de been. Vraag en antwoord als voren. DINA BORG is 38 jaren en getrouwd met Pieter Hofman. Ze sluit de rij der getuigen. Ze zal mededeelingen doen over „de verhoudingen jp de buurt." Vrouw Scholtens klaagde ook reeds over de Kip-pen. De PRESIDENT vraagt of vrouw Scholtens een goede buurvrouw van heur is. — „Gain gemaipschop met heur ! En de Kip-pen dan ? Niks meer dan „gouden dag en goa weg. Twee jaren geleden was er ruzie in de buurt en „daglegde" vrouw Kip aan vrouw Scholtens : „as ik joe ain loer draaien kin din gaiste d'r aan. Dina — zoo zeiden wij — was de laatste getpige van ons lijstje. Maar de allerlaatste getuige is de vrouw van Heino Scholtens. Toen oom Ido gebraakt had, wilde Aaltje dat Heino „den boel van oom Ido schoonmaakte". Deze wilde dat niet, men kreeg woorden en toen ging Heino de deur uit. Later, toen alles was afgezakt en alleen dronken. Ido nog achtergebleven was, wilde ze niet langer thuis blijven. Ze zocht haar man, gaf hem een standje en daarna een klap in het gelaat, waarop Heino gilde. Hij had eerst met haar moeder gescholden. De rest van wat ze vertelt is den lezer reeds bekend en wat de lezer nog meer dan dat bekend is, ontkent Aaitje. Het is den geheelen dag pro en contra geweest. Verdachte wordt voorgeroepen en verhaalt, naar eer en geweten. Bij moeder zijn ze geweest en daarna bij de schoonouders, waar jenever werd gehaald. Gekscherend zeide hij, doelende op het beeld thuis : ik leg lutje wicht op bêrre. Hij herhaalt dat het gekscherend was. Harm en hij gingen naar schoonmama, waar men jenever kreeg. Ido was daar ook en dat kwam mooi uit, want het ging om de trekharmonica van oom Ido. Wij deden — zoo verhaalt verdachte — de centen bie mekoar en kochten 7 maatjes jenever en een flesch port. Later kwamen daar nog 5 maatjes bij. Ido was „smoor-dik." Het verdere verbaal is reeds bekend. Bij mama IS hij in het hooi gekropen. In groote vroolijkheid vertelt verdachte dit. Van de koude werd hg flauw en van de flauwigheid moest hg „opgeven", Later thuis zag hg oom Ido dronken op bed lig gen. Hij vertelt verder dat hij de toafel opwupt had en constateerde met wiskundige zekerheid — maar zonder schaamte — dat hij dronken is geweest. „Want" — zoo zei hij — „ik kroop op 'n kaaste en dat dut gain nuchter mensch." In de lengte en in de breedte oreert deze jonge man voort over alle kleine bijkomstigheden, over Jipsinghuizen, over koffie en over — natuurlijk — de jenever..... met niet te misprijzen luchthartigheid. Hg was dommelig en roezig, had nergens geen zin in, dronk koffie b$j vrouw Kip en wilde eerst, niet en later wel naar Jipsinghuizen.

De PRESIDENT sluit den woordenstroom en is van meening dat de Rechtbank met al die praatjes niets te maken heeft en wijst hem er op dat er bezwarend tegen hem is getuigd. Daarop begint Heino te zweren over de galg en de dood en God almachtig. Hij zwaait met de armen en spreekt hoogdravend.

Het requisitoir van Mr. KNEEPKENS begint met hulde te brengen aan het uitmuntende werk van den opperwachtmeester voor het vele en goede dat hij verrichtte en waarvan het objectief weergeven een belangrijk deel is geweest. Primair is doodslag ten laste gelegd. Dr. Mieremet heeft verklaard, dat Ido Feiken niet door den slag is gestorven, doch door verdrinking. Voor spr. staat vast, dat deze verdachte den harden slag heeft toegebracht en dat deze — in de meening verkeerende dat Ido dood was — hem in het water heeft gegooid. De doodslag is niet bewezen en de opzet om te dooden ook niet. Wel acht spr. bewezen, dat het de bedoeling is geweest van verdachte, om Ido Feiken ernstig te mishandelen. Verdachte heeft voorgegeven, dat het gevonden bloed van den halsdoek vroeger heeft gevloeid, maar dë deskundige heeft vastgesteld, dat dit onwaar is, zoodat vast staat dat het verweer van verdachte op dat punt tot doel heeft het verband tusschen wonde en bloed te ontkennen. De getuigen-verhooren hebben bewezen, dat verdachte door alles heen was. Hij was boos, omdat daar thuis dingen gebeurden, die niet eerbaar waren en daartegen is bij in verzet gekomen. Zijn woede heeft hij gekoeld op Ido. Hij is een zenuwachtige natuur. De getuigenverklaringen over hoorigheid der muren hebben voor spr. geen waarde. Had men ej iets in gezien, dan had de verdediging een onderzoek in loco bij den rechter-commissaris moeten aanvragen. Spr. gaat vervolgens de details na, waarbij verdachte een paar maal interrumpeert en tot de orde wordt geroepen. Voor spr. staat het vast, dat hij, met behulp van vrouwen, die hier nu hebben getuigd, het lichaam van Ido naar het kanaal heeft vervoerd om bet er vervolgens in te werpen. Het, was een dronkenmansboel. Verdachte wil het voorgeven, dat hij rechtvaardig kwaad was, maar de rechtvaardige boosheid werd een onrechtvaardige door het ergerlijke jenevergebruik. Spr. zegt, dat alle omstandigheden wijzen op een jeneverschandaal. En het is te hopen, dat de beteren en de goeden zullen inzien, dat ze de jenever hebben te ontvluchten. Het feit, dat spr. bewezen acht, is hoogst ernstig en daarom requireert hij veroordeejing tot een gevangenisstraf van vier jaren. Verdachte zegt, dat hij op deze wijze onschuldig de gevangenis indraait, terwijl ook zijn rommeltje kapot is gegaan.



De verdediging van Mr. E. J. BULDER te Veendam vangt aap met een opsomming van wat verdachte gedaan heeft. Hij was thuis, ging naar zijn moeder, sliep daar, ging weer naar zijn huis en zag den wantoestand in helder licht. De verklaringen van de ouders van de vrouw van verdachte zijn njét stelligheid afgelegd en werden gesteund Cf oor diverse verklaringen. Diverse personen zijn mee gegaan. Men heeft Ido naar het huis van zijn broer zien gaan. Op weg naar huis voert vërdachte een gesprek met zijn schoonmoeder, dat niet liefelijk is geweest. De jonge vrouw haalt haar man op. Over het lawaai loopen de meeningen uiteen. Maar een ergerlijk lawaai moet er geweest zijn. Spr. gaat dan de zwakke punten na, om deze te ontzenuwen en de onwaarschijnlijkheid er van aan te toonen. Door de getuigenverklaringen is vast komen te staan : Het O. M. stelt, dat Ido is geslagen met den bijl. Maar vele getuigen hebben Ido ongeschonden ziep wegrijden, zoodat de slag dan toch later moet zijn toegebracht. Maar men mag dan ook vragen, waar dat gebeurd is. Op welke wijze is Ido om het leven gekomen ? Dr. Mieremet heeft niet de mogelijkheid uitgesloten, dat Ido, op dé fiets, hard rijdende, tegen iets is gestooten, wat noodlottig is geworden. Heino is kwaad geweest op zijn vrouw en op zijn schoonmoeder. Maar op oom Ido was hg niet kwaad en Heino heeft spr. verklaard, dat men op dezen nimmer kwaad kon worden. Men haalde hem juist op, als er }ol gemaakt zou worden. De fiets was erg geschonden. Als Ido thuis reeds met den hiji is bewerkt, hoe is de fiets dan kapot gekomen ? Ook de grint-aanwezigheid is een mogelijkheid om in het water te rijden. De verdachte is des nachts niet malsch behandeld door zijn schoonmoeder. Men denkt, dat de schoonouders willen pleiten voor de belangen van Heino. Er was echter — gezien wat er voorviel — veel meer aanleiding te veronderstellen, dat men de partij van den verongelukten broeder zou kiezen.

Wat moet Heino Voorts een absolute „ongevoelige schurk" zijn, als hij zoo'n misdaad — als waarvan hg verdacht wordt — bedrijft en dan den volgenden dag- zingt, grapjes maakt en in gerustheid koffie drinkt bij de familie Kip. De invloed van de schuld had in zijn houding moeten zijn te onderkennen. Wat staat nu vast ? Dr. Mieremet heeft verklaard, dat verdrinking de doodsoorzaak is. Het is zeer wel mogelijk, dat van een misdaad geen sprake is geweest. Maar vast staat het voor spreker, dat verdachte de ten laste gelegde feiten niet heeft gepleegd. Spr. moet daarom concludeeren tot vrijspraak en onmiddellijke invrijheidstelling. Na rede dupliek, waarin den verdediger hulde werd gebracht voor zijn met zorg voorbereid en voorgedragen pleidooi, ziet de verdachte van het slotwoord af. De Rechtbank begeeft zich in raadkamer en na haar terugkeer deelt Mr. MAITLAND mede, dat de Rechtbank geen termen heeft kunnen vinden om verdachte in vrijheid te stellen. De uitspraak wordt bepaald op Vrijdag 21 October, des morgens om 10 uur. De zaal — vol Muntendammers — stroomt om kwart voor zeven leeg !

De Noord-Ooster 08-10-1932



Geachte redactie. In De Noord-Ooster van Zaterdag hebben we het stuk gelezen, waarboven stond : „Het drama van Muntendam berecht; zedeloosheid en jenever". Iemand, die met me sprak over wat in deze zaak aan 't licht is gekomen, zei: „Wat 'n Godvergeten en Godverlaten bende !" En ook wie het anders uitdrukt, voelt den weerzin en de walging mee. Geen wonder, dat ik Zondag op 'n fietstocht door Muntendam deze plaats eens met opmerk zame oogen bekeken heb. En wat trof me daarbij het meest ? Er is 'n „Sportterrein", met 'n keurigen ingang en 'n dito kleedkamer. Maar wat men voorzoover ik weet nergens elders op 'n „Sportterrein" ziet, dat ziet men hier. Op 'n geweldig groot reclamebord, aangebracht tegen den gevel van het houten gebouw leest men in kapitale letters: Oranjeboom-bier". Ik weet niet, of dit „Sportterrein" 'n gemeentelijke of semi-gemeentelijke inrichting is. Men zou 't haast denken, omdat een en ander er zoo verzorgd uitziet. Maar in elk geval, wie ook de leiding hebben in deze, gemeentelijke of andere autoriteiten, het is wel opvallend en verwonderlijk, dat in Muntendam de leiding op 'n sportveld zulke aanbevelingen plaatst. V. K.

HET DRAMA TE MUNTENDAM. WAT ER VAN BEKEND IS.

Voorlichting. ' De pers heeft tot taak, het publiek voor te lichten omtrent alles wat er aan belangrijks op dit wereldrond plaats vindt. Dat kan zij, als ze beschikt over medewerking van wie haar dienen en over steun van wie in staat is het haar te bieden. Zijn er voorvallen met een politioneelen of lustltioneelen kant, dan doet de redactie van een blad goed, met niet te verwaarloozen de beste bronnen waaruit zij kan putten. En dat zijn politie en justitie zelf. Door samenwerking van deze drie : de justitie, de politie en de journalistiek, kan de publieke opinie in ernstige gevallen — als waarover we nu gaan schrijven — volledig en juist worden ingelicht. En dat is noodig. Want blijven juiste' inlichtingen achterwege, dan gaat de volksfantasie nan het werk. Dan ontstaan de legenden, dan worden er verhalen opgedischt, die het „geval" minstens ernstiger en grooter en vooral ijzingwekkender maken. Daarom hebben we getracht, toen er geruchten gingen over een drama met een jeugdig meisje uit Sappemeer, voorgevallen even buiten Muntendam, aan een stillen weg, van de militaire politie, de marechaussee te Muntendam, het een en ander te vernemen. Burger-politie heeft doorgaans weinig bezwaar „historie voor de krant" te geven. Maar de marechaussee te Muntendam gaf geen inlichtingen. Daarom zijn we er op uitgetrokken, om zelf iets te vernemen van tot oordeelen bevoegden. En als zoodanig meenden we te mogen beschouwen de familie Hamminga, waarvan de vrouw een tante is van de moeder van het omgekomen kind. Wat aan het vinden van het lijk voorafging. Maandagnamiddag omstreeks 4 uur stapte 'de ruim 16-jarige Geertje Kuur, wier moeder voor den tweeden keer is gehuwd met Berend Zwiers te Sappemeer, de woning binnen van den ouden landarbeider Jan Hamminga te Muntendam. Oom en tante waren aan 't aardappelrooien geweest. De — als steeds — opgewekte Geertje, vroeg tante of ze een handje in het huishouden zou helpen. Dat deed ze vaker -en ook nu was de geboden hulp welkom. Na het werk bleef Geertje mee-eten en ze at flink. Tante vroeg haar, of „Hendrik haar kwam terughalen", waarop ze antwoordde, dat het pas Zondag was geweest. Ze wilde wel tot 9 uur blijven, doch de familie meende, dat ze eerder — en niet later dan 8 uur — weg moest, omdat het anders te laat werd. Ze had heur moeder verteld, even naar Grootmoe (wonende in 't Oosteind te Sappemeer) en naar een vriendin te willen gaan. Maar ze was bij geen dezer geweest en doorgereden naar oom en tante, waar ze vaak kwam en steeds plezier had. En zoo vertrok Geertje per fiets naar huis terug, zoo opgewekt en blij te moede als ze was gekomen.



Te Sappemeer verwachtte moeder haar thuis. Toen ze echter om negen uur nog niet terug was, begon deze wat ongerust te worden. Ze ging naar haar buurvrouw, de wed. Kamphuis, wier jongste zoon Hendrik, 19 jaar oud, tijdelijk onderwijzer is te Zuidbroek. Hendrik was met zijn moeder bezig boonen te draden en te rijgen. Hij wist er niets van. Vrouw Zwiers ging weer naar huis en naar bed. Maar om elf uur was Geertje nog niet thuis. En daarom ging ze uit het bed en andermaal naar buurvrouw, die ook te bed lag. Maar Hendrik zat nog op, bezig aan de studie voor de hoofdacte. Deze werd ook bezorgd, nu Geertje nog steeds niet terug was. Hij is er op uitgegaan om 't meisje — var^wie hij hield —- te zoeken. En in den nacht klopte hij bij de familie Hamminga te Muntendam aan, om inlichtingen te vragen. Maar de oude menschen wisten niets, waarna Hendrik terugging. Op zoek. Den volgenden morgen vroeg ging men weer op zoek. Onder de zoekers was ook het 13-jarig broertje van de vermiste. Om half 4 was deze al weer — met een familielid — bij Hamminga. Maar men wist van niets. Hij zeide in de meening te verkeeren, dat er ergens aan den weg een fiets stond, die hij had gezien. Men reed eenigen tijd later terug. En bij een dam over een sloot aan den weg Muntendam — dicht bij Kars' bat — zag men een fiets. De knaap herkende de fiets als van zijn zuster. Alen zocht in den omtrek, doch Geertje vinden deed men niet. De knaap wilde op die fiets naar huis gaan, doch kwam onderweg zijn vader en de meergenoemde onderwijzer Hendrik Kamphuis tegen. Hij vertelde wat hij gevonden had en gedrieën keerde men naar de plaats, waar de fiets stond, terug. En Weer vond men van Geertje geen spoor. Teleurgesteld reed men naar Muntendam om de marechaussee met het geval in kennis te stellen. Een marechaussee ging mede naar de plaats. En weldra was daar ook 'de opperwachtmeester. Inmiddels was het meer 'dag geworden en kon het onderzoek beter geschieden. De opperwachtmeester zag iri 'de sloot een z .g. krauwel „sloothoek" staan, stootte met het ding in de ondiepe wijk om 'de diepte te peilen en meende een zak te zien. Men keek wat beter toe en tot ieders schrik en ontsteltenis zag men, dat het 't ineengedoken lichaam van de gezochte was. Geertje was dood. Ze lag met het gezicht voorover in het water en een deel van den rug er boven. Toen het slachtoffer was opgehaald, werd het lijk geïnspecteerd. Aan de hals had ze nagel- of vingerafdrukken, wat op geweld wees. De neus bloedde en aan de kin had ze een wonde. Aan een sexueele moord werd niet gedacht, de onderkleeren hingen niet onordelijk om het lichaam. Men deed echter rare ontdekkingen. In het taschje, dat aan de fiets was, werd een briefje gevonden, geschreven door iemand anders dan Geertje op papier van een koffie of suikerzakje, rondom afgescheurd. En er zat ook een plat potlood in, nimmer eerder bij Geertje aangetroffen. En een andere merkwaardigheid was, dat de portemonnaie — die 't kind altijd in het taschje had — nu werd gevonden in het zadeltaschje aan de fiets. Van de ontroerde omstanders, was de onderwijzer Kamphuis niet het minst onder den indruk. Deze liet niet na, het lijk van de gestorvene teeder te omarmen. De aanhouding. Het lijk werd door den opperwachtmeester — het spreekt vanzelf — in beslag genomen. Maar deze vatte ook den onderwijzer bij den arm en zeide, dat hij werd aangehouden. K. antwoordde, dat 4ij wel gewillig zou meegaan. En hij ging mee. Van de verhalen, dat „de meester voor de klas zou zijn gearresteerd en geboeid naar de cel gebracht" is geen woord waar. Het is alles fantasie. Over het onderzoek kunnen we niets zeggen. Er is een Rijksveldwachter geweest met een politiehond. Woensdag (gisteren) heeft het Parket van Winschoten, in tegenwoordigheid van de burgemeesters Torringa van Muntendam en Jonkeren van Sappemeer, op het Raadhuis te Muntendam instructie gehouden. En Dr. Mieremet van Groningen heeft de sectie verricht.

Woensdagavond — nu we dit schrijven — zat K. nog in voorloopig arrest. Wat men van hem weet, w ij weten het niet. Wel kunnen we melden, dat de 19jarige jongen goed eet en zéér rustig is. En tenslotte : als een jong meisje op zóó tragische en zoo onverklaarbare wijze aan haar einde komt en er is iemand van de andere sexe aan te wijzen, die haar heeft liefgehad, dan denkt het publiek er het zijne van. Dan zal ze wel. Het verheugt ons voor de eer van een jammerlijk omgekomen 16-jarig meisje, dat de poorten der onschuld nog nauwelijks kan zijn doorgekomen, te kunnen mededeelen, dat er geen aanleiding is iets te vermoeden in die richting Het geval is — naar het ons toeschijnt — nog omgeven door een waas van geheimzinnigheid. 't Is alles nog duister. Later bericht. De onderwijzer K. is Woensdagavond om 10 uur weer in vrijheid gesteld. Geruchten als zoüde in verband met dit drama thans een ander persoon zijn aangehouden, zijn niet te controleeren. Hedenmorgen bericht men ons : De sectie op het lijk van het verongelukte meisje heeft aan het licht gebracht, dat er vermoedelijk geen moord is gepleegd.





Geen opmerkingen: